Die jeugd van tegenwoordig !
Er is altijd wel een jeugd van tegenwoordig. Ik was het ooit in ieder geval en ik deugde voor geen meter en de jeugd van 2010 deugt ook voor geen meter.
En hoe zit het dan met de jeugd van rond 1920/1930? Deugde die ook niet?
Hoe zat het toen met de omgangsvormen? Anno 2010 heb ik daar niet zo’n beste voorstelling van.

Mevrouw Leuven is lui, dat is al bekend. Voor ieder wissewasje hangt ze aan de alarmbel en als je er toch bent heeft ze altijd wel wat méér te vragen of beter gezegd te zaniken om te doen. Alsof wij haar bedienden zijn. En aangezien ik dat niet ben, zeg ik ook altijd ‘nee’ als het niets met de zorg te maken heeft of wat ze zelf kan doen.
Ik heb een collegaatje Erica, een grote brede goedlachse vrouw, die mijn assertiviteit enorm kan waarderen, omdat zij dat niet zou kunnen. Ze kan het wel, maar zoals ik ook bij mijn andere collega’s zie, zijn bepaalde omgangsvormen kennelijk zo ingesleten dat ze niet meer opvallen na verloop van jaren. Ik vind het wel belangrijk om voor mezelf te blijven zorgen en niet als oud vuil behandeld te worden, want veel van de bewoners kunnen er wat van hoor en dan heb ik het uiteraard over de niet dementerenden en gezonde ouderen. En eerlijk is eerlijk, ik hoor en zie het andersom ook wel eens flink misgaan hoor in de omgangsvormen.
Laatst wilde mevrouw Leuven ook weer wat. Ik loop bij haar binnen met een kopje thee en ze is net wakker. De gordijnen zijn nog dicht, maar ze zit al wel aan tafel te wachten op haar pap. Terwijl ik naar haar toe loop met het kopje thee zegt ze: “Zeg ! Kan jij mijn gordijnen even open doen”.

Ik zet het kopje voor haar op tafel neer en geef aan dat ik niet met ‘zeg’ aangesproken wil worden en dat ik graag wil dat ze mij Marion noemt, omdat ik het niet aardig vind klinken. Mevrouw Leuven is enigszins van haar stuk gebracht, want ze spreekt iedereen met ‘zeg’ aan en kennelijk ben ik de eerste die haar erop aanspreekt.
‘Oh eh Marion is het hè en nou ja’, zegt ze onzeker. ‘Eh, Marion, wil je mijn gordijnen open doen’, vraagt ze. Ik zeg tegen haar dat ze dat zelf kan. ‘Alles wat u zelf kan moet u ook zelf doen, want dat is beter voor u’, zeg ik.
Mevrouw Leuven sputtert nog wat tegen en zegt dat ik dat veel beter kan. Ja, daar heeft ze wel een punt, maar gezien mijn leeftijd kan ik alles beter dan zij. Ik was onvermurwbaar en heb ze niet opengedaan.
Ik loop haar deur uit met de pap om in de keuken warm te maken. Als ik terugkom is mijn naam haar even ontschoten en begint ze weer met ‘zeg’…. Aangezien ik nog niet koud binnen was en de volgende vraag alweer voor m’n kiezen had, was er waarschijnlijk al een soort van irritatie op mijn gezicht te zien. Het is ’s morgens gewoon te druk voor wissewasjes van generlei belangrijkheid.
Ze schrikt van haar eigen woord ‘zeg’ en misschien ook wel van mijn irritatie en herstelt zich briljant door te vragen: ‘Lieverd, zou je m’n kousjes willen pakken en over de stoel willen hangen.’ Ik smelt en pak de kousjes, ook al kan ze dat heel goed zelf.
Vorige week was mevrouw Hansberg weer op dreef. Gek genoeg heb ik dan altijd dienst met Erica. En Erica wordt helemaal gek van mevrouw Hansberg waar ik dan vervolgens weer om in een scheur ga hoe ze dat aanpakt. Het is niet mijn manier van assertiviteit, maar het werkt wel. Je bent alleen wel je goeie imago kwijt, in welke vorm je 'm dan ook gehad had willen hebben.
Vorige week was niet alleen in mijn huis de boel door mijn viervoeters onder gekakt,

ook in het verzorgingshuis was iedereen aan de spuitpoep en dus zwak, ziek en misselijk. De ene was een volledige week van de wereld, zoals mevrouw Peul en sommige maar één of twee dagen.
Mevrouw Hansberg heeft natuurlijk ook gemerkt dat haar medebewoners met bosjes ziek omvielen en ziet ons hollen en redderen en zij heeft daarom bedacht dat zij ook wel wat extra aandacht wil en veinst zichzelf ziek en ik ben de sigaar. Ik doe naast de ontbijtjes en de afwasjes ook de boodschappen voor de mensen die dat niet meer zelf kunnen. Mevrouw Hansberg kan het nog heel goed zelf en ik kom haar zelfs in de winkelstraat tegen, dus die heeft mijn hulp in dat opzicht niet nodig.
‘Ik ben ziek en jij gaat boodschappen voor me doen’, zei ze enigszins pinnig. Gezien het feit dat ze achter me in de gang staat en dus al een eindje aan het huppelen is, krijg ik niet de indruk dat ze ziek is. Bij navraag bij m’n collega’s is ook niets bekend.
Ik moest nog in haar gang de ontbijtjes doen en had bedacht op haar kamer nog eens rustig te kijken wat er nou aan de hand is. Inmiddels had Erica haar ook al eens bij me weggehaald met de mededeling dat ze naar haar kamer toe moest en dat ze niet zo moest zeuren en dat ze zelf boodschapjes kan doen. Echter mevrouw Hansberg laat zich niet wegsturen, nu niet en nooit niet. En Erica loopt nog niet weg of ze trippelt alweer achter me aan. Ik ga door met mijn werk en hoop dat ze naar haar kamer gaat. En dat doet ze.
Ik sta bij mevrouw Peul in haar kamer om de koffie in te schenken en tegelijkertijd neem ik de boodschapjes door als ineens mevrouw Hansberg achter me staat en zegt: ‘Ja jou moet ik net hebben, want je ontkomt me heus niet’. Mevrouw Peul had natuurlijk geen idee waar het over ging en zo heerlijk laconiek als ze is ging ze er eens bij zitten, want ook zij weet natuurlijk hoe mevrouw Hansberg in elkaar zit.
Ik leg mevrouw Hansberg uit dat het niet de bedoeling is dat ze zomaar bij iedereen

naar binnen loopt en vraag haar om naar haar kamer te gaan en dat ik er bijna aankom. ‘Ik ga níét weg voor u mij gezegd heeft of u mijn boodschappen doet’, zegt ze met een hoge stem.
Inmiddels is Erica ook weer in de gang en hoort dat mevrouw Hansberg op de kamer van mevrouw Peul is. Ze loopt naar binnen en neemt mevrouw Hansberg bij haar arm om haar op die manier enigszins te forceren naar haar kamer te gaan. Mevrouw Hansberg, ook niet van gisteren zegt tegen Erica: Ik ben ook een mens en zo moet u mij ook behandelen’.
Ondertussen bijt ik m’n tanden stuk van het ingehouden lachen na deze opmerking en Erica zie ik ook rood aanlopen van het ingehouden lachen.
Het is ook een rare situatie om naar te kijken. Zo’n klein oud vrouwtje naast zo’n boom van een vrouw, beide in protest en het kleintje wint op charme én omdat Erica netjes is opgevoed.
Ze gaat gelukkig naar haar kamer, want ik ben er wel een beetje moe van en Erica vervolgt ook weer haar weg. En ik sta nog niet buiten de kamer van mevrouw Peul of daar ís ze weer als een duveltje uit een doosje, maar Erica was er ook ineens weer en mevrouw Hansberg ziet Erica om de hoek verschijnen en zegt in volledige schrik: ‘Oh, daar heb je haar ook weer! Ik ga snel naar m’n kamer.’
We hebben het uitgegierd van het lachen en als troost heb ik dat suffe broodje gehaald wat ze nodig had. Kan mij het schelen of het wel of niet in haar zorgpakketje thuishoort. Ik vind haar ziek in ieder geval en dus doe ik boodschappen voor haar. Eenmalig weliswaar.
Pfffff die jeugd van toen!!!!